Projectmanagement

Competentiemanagement

Home
Crashcourse
Tools
Templates
Modellen en slides
Artikelen
Ondersteuning
Beeldmateriaal
'Grasduinen'

 

Competentiemanagement is het opbouwen en exploiteren van competenties van medewerkers in lijn met de strategie en doelstellingen van de organisatie.

 

Competentiemanagement moet dan ook gezien worden als een middel om een organisatie en zijn medewerkers in samenhang te laten ontwikkelen. Deze ontwikkeling kan alleen plaatsvinden als de organisatie een brug weet te bouwen van strategische doelen naar medewerkerdoelstellingen. De missie en visie van een organisatie valt of staat met goed leiderschap. Zij die leiding geven en HR verantwoordelijk zijn hebben enerzijds te maken met prestatiemanagement en anderzijds met competentiemanagement.

 

Competentiemanagement vereist aandacht op alle niveaus:

         Op strategisch niveau gaat het om de vraag welke kerncompetenties een organisatie de komende jaren nodig heeft. Zo valt te denken aan meer klantgerichtheid en ondernemerschap bij organisaties.

         Op tactisch niveau gaat het in de eerste plaats om de planning en allocatie van capaciteit en competenties.

         Op operationeel niveau vormen competenties de basis van zowel het selectieproces als van het proces voor het ontwikkelen van het personeel (via beoordeling/functioneringsgesprekken en persoonlijke ontwikkelplannen).

 

Kijkend naar competenties (bekwaamheid) kan er gezegd worden dat een competentie een combinatie is van kennis, vaardigheden en eigenschappen die een persoon effectief doen functioneren:

         Kennis: beschikken over informatie, bekend zijn met iets, oftewel het ‘weten’.

         Vaardigheden: het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren, het ‘kunnen’ van

iets.

         Eigenschappen: het houdingsaspect, oftewel het ‘zijn’.

De vereiste competenties voor medewerkers worden op functieniveau vastgesteld. Competenties

zijn erg afhankelijk van waar de organisatie voor staat of wil staan.

 

Voordelen competentiemanagement:

         Gebaseerd op actueel, werkelijk gedrag.

         Competenties zijn gebaseerd op de toekomst ipv verleden.

         Richt zich op nieuwe vaardigheden.

         Zijn ondersteunend aan organisatie verandertrajecten.

         Kunnen een sterk motiverende werking hebben.

         Biedt duidelijkheid.

         Geeft richting aan evenwichtig en strategisch personeelsbeleid.

         Helpt medewerkers zelfstandiger te functioneren.

 

Beperkingen competentiemanagement:

         Methode is tijdsintensief, kostbaar en legt grote druk op human resources.

         Kan (mag!) geen doel op zich zijn.

         Maakt van een slechte ondernemer geen goede.

         Neemt het denken van de ondernemer niet over.

         Moet nog altijd (op de juiste wijze) door het management worden toegepast.

 

Alfabetische lijst van competenties

1. Aanpassingsvermogen

Blijft goed functioneren onder veranderende omstandigheden. Is bereid en in staat om zich te voegen naar nieuwe situaties; laat hierbij desnoods aanvankelijke doelstellingen los.

Gedragsbeschrijvingen:

         Is bereid en in staat om zich te voegen naar nieuwe situaties, laat hierbij desnoods aanvankelijke doelstellingen los.

         Weet onder drastisch wijzigende omstandigheden (functiewijziging, reorganisatie, nieuwe collega's) zijn/haar draai betrekkelijk snel weer te vinden.

         Speelt soepel in op veranderingen. 

         Blijft goed functioneren onder veranderende omstandigheden.

2. Aanspreken op gedrag

Spreekt de ander aan op de afspraken die gemaakt zijn over gewenst gedrag in diens taak, rol of functie.

Gedragsbeschrijvingen:

         Geeft duidelijk aan welk gedrag verwacht wordt van de ander in het kader van diens taak, rol, of functie.

         Spreekt anderen aan op het gedrag dat van hen verwacht wordt in hun taak, rol of functie.

         Helpt de ander zonodig om het gedrag te vertonen dat afgesproken is binnen zijn taak, rol of functie.

3. Accuratesse

Langdurig en effectief kunnen omgaan met detailinformatie.

Gedragsbeschrijvingen:

         Benoemt relevante details die de grote lijn ondersteunen.

         Haalt de meest relevante details naar boven uit een grote hoeveelheid informatie.

         Pikt zaken op waar anderen overheen kijken.

         Kan lang met details omgaan zonder fouten te maken.

4. Ambitie

Gedrag vertonen dat erop gericht is om persoonlijk succes te boeken. Stelt zichzelf doelen om dit te bereiken.

Gedragsbeschrijvingen:

         Maakt een doel en ontwikkelingsplan, teneinde op een bepaalde functie te komen.

         Accepteert extra taken en verantwoordelijkheden, teneinde een zwaardere functie te verkrijgen.

         Vraagt om meer verantwoordelijkheden op andere terreinen en is daarop aanspreekbaar. 

5. Anticiperen

Weet kritische situaties tijdig te onderkennen en hierop adequaat in te spelen. Voorkomt dat zaken uit de hand lopen door tijdig maatregelen te nemen.

Gedragsbeschrijvingen:

         Weet tijdig op kritische situaties in te spelen.

         Voorkomt dat zaken uit de hand lopen door tijdig maatregelen te nemen.

         Denkt vooruit en weet benodigde acties in te schatten. 

6. Beheersing operaties

Op effectieve wijze, binnen gegeven doelen, prioriteiten bepalen. Benodigde acties, tijd en middelen aangeven om deze doelen te kunnen bereiken en het (doen) bewaken van de voortgang.

Gedragsbeschrijvingen:

         Stelt prioriteiten in voorgenomen activiteiten.

         Deelt tijd, mensen en middelen toe aan voorgenomen activiteiten.

         Bewaakt de voortgang in activiteiten door regelmatig tussentijds te (laten) controleren, stuurt zo nodig bij.

7. Besluitvaardigheid

Beslissingen nemen door middel van het ondernemen van acties of zich vastleggen door het uitspreken van meningen.

Gedragsbeschrijvingen:

         Hakt knopen door.

         Stelt beslissingen en/of acties niet onnodig uit.

         Maakt keuzes, ook als bepaalde factoren onvoldoende helder zijn en 'waarschijnlijk' zullen blijven.

         Legt zich vast door het uitspreken van de eigen mening.

8. Bestuurssensitiviteit

Anticiperen op en onderkennen van de relevantie van gebeurtenissen die van invloed zijn op het vigerende beleid en de positie van de bewindspersoon.

Gedragsbeschrijvingen:

         Heeft een 'antenne' voor gebeurtenissen die van invloed zouden kunnen zijn op het vigerend beleid.

         Voorziet tijdig politieke afbreukrisico's voor de bewindspersoon.

         Schat mogelijke effecten van eigen beleid en/of voorstellen op andere organisaties (of onderdelen daarvan) goed in.

         Toont inzicht in de bestuurlijke en mechanismen.

9. Betrokkenheid

Zich verbonden tonen met de taak en de professie en op basis hiervan anderen stimuleren.

Gedragsbeschrijvingen:

         Laat verbondenheid met de eigen taak zien.

         Laat verbondenheid met het eigen vakgebied zien.

         Vertelt stimulerend en enthousiast over het werk.

10. Collegialiteit

Helpen en ondersteunen van collega’s en rekening houden met hun behoeften en belangen.

Gedragsbeschrijvingen:

         Helpt collega’s indien nodig.

         Ziet wat collega’s nodig hebben om hun werk goed te kunnen doen.

         Toont interesse in werk en situatie van collega’s.

11. Conceptuele flexibiliteit

Het opbouwen van denkkaders of modellen en het formuleren van meervoudige concepties, hypothesen of ideeŽn op basis van complexe informatie.

Gedragsbeschrijvingen:

         Weet op basis van dezelfde gegevens verschillende scenario's te bedenken.

         Weet voor complexe situaties verschillende oplossingsrichtingen te bedenken.

         Kan buiten het eigen denkkader treden.

         Weet tot nieuwe scenario's te komen wanneer gegevens en/of omstandigheden wijzigen.

12. Creativiteit

Met oorspronkelijke oplossingen komen voor problemen die met de functie verband houden. Nieuwe werkwijzen bedenken ter vervanging van de bestaande.

Gedragsbeschrijvingen:

         Doorbreekt bestaande denkkaders.

         Komt met vernieuwende ideeŽn die anderen aanspreken.

         Combineert bestaande benaderingen tot nieuwe oplossingen.

         Bedenkt makkelijk meerdere oplossingen of benaderingen voor een vraagstuk.

13. Delegeren

Eigen beslissingsbevoegdheden op een duidelijke wijze toedelen aan de juiste medewerkers en toezien op effectuering.

Gedragsbeschrijvingen:

         Wijst (een deel van) eigen taken aan de juiste medewerkers toe.

         Geeft medewerkers bevoegdheid om binnen gegeven kaders zelfstandig te handelen.

         Geeft medewerkers het vertrouwen, durft zaken aan ze over te laten.

         Accepteert dat er fouten gemaakt kunnen worden.

14. Durf

Gaat risico's aan om een bepaald herkenbaar voordeel te behalen, ook als dit nadelige gevolgen kan hebben voor de eigen positie in de organisatie.

Gedragsbeschrijvingen:

         Steekt zijn nek uit, ook als dit nadelige gevolgen kan hebben voor de eigen positie in de organisatie.

         Gaat risico's niet uit de weg.

         Laat zich niet leiden door angst voor mogelijke nadelige gevolgen.

         Toont lef.

         Pakt lastige situaties aan, loopt er niet om heen.

15. Energie

Gedurende een lange periode actief zijn wanneer de functie dat vraagt. Hard werken, uithoudingsvermogen hebben.

Gedragsbeschrijvingen:

         Heeft altijd nog energiereserves.

         Werkt hard.

         Heeft uithoudingsvermogen. 

         Is niet stuk te krijgen.

16. Flexibel gedrag

Indien zich problemen of kansen voordoen de eigen gedragsstijl veranderen teneinde een gesteld doel te bereiken.

Gedragsbeschrijvingen:

         Verandert in geval van kansen of problemen de eigen gedragsstijl om gesteld doel te bereiken.

         Schakelt bij weerstand over op een aanpak die wťl tot het gestelde doel leidt.

         Bewandelt zo nodig andere wegen om het doel te bereiken.

         Weet, al naar gelang de situatie, variatie in de eigen gedragsstijl aan te brengen.

17. Helikopterview

Houdt het overzicht over de delen en het geheel van een vraagstuk , gegevens of project.

Gedragsbeschrijvingen:

         Overziet delen en geheel van een vraagstuk, gegevens of een project.

         Kan een stap terug doen en zaken van een afstand bekijken.

         Kan zich losmaken van een onderdeel om de grote lijnen en het totale proces te overzien.

         Behoudt het overzicht in een grote diversiteit van taken, ontwikkelingen of processen. 

18. Informatie analyse

Signaleren en herkennen van belangrijke informatie in een informatierijke omgeving. Verbanden leggen tussen gegevens.

Gedragsbeschrijvingen:

         Haalt de kern uit een brij aan informatie.

         Brengt ordening aan in complexe informatie en maakt deze voor anderen toegankelijk.

         Legt verbanden tussen gegevens en weet mogelijke oorzaken van te benoemen.

         Herkent en signaleert belangrijke informatie in een informatierijke omgeving.

19. Initiatief

Kansen onderkennen en ernaar handelen. Liever uit zichzelf beginnen dan passief afwachten.

Gedragsbeschrijvingen:

         Begint uit zichzelf, wacht niet af.

         Ziet kansen en handelt ernaar.

         Neemt het voortouw in projecten of andere gezamenlijke acties.

         Draagt uit eigen beweging oplossingen aan.

20. Innovatief handelen

Vernieuwend denken en handelen; kansen en mogelijkheden zien voor vernieuwing van werkwijzen, producten of diensten; voorkeur voor uitproberen van verbeteringen boven handhaven van bestaande.

Gedragsbeschrijvingen:

         Staat open voor mogelijkheden om zaken en werkwijzen te verbeteren.

         Ziet kansen en bedenkt mogelijkheden voor nieuwe producten of diensten.

         Past ideeŽn voor verbetering van zaken zo mogelijk direct toe.

         Heeft voorkeur om andere inzichten uit te proberen boven bestaande werkwijzen.

21. Integriteit

Op consistente wijze handhaven van algemeen aanvaarde sociale en ethische normen in woord en gedrag. Het daarop aanspreekbaar zijn en het aanspreken van anderen hierop.

Gedragsbeschrijvingen:

         Leeft algemeen aanvaarde sociale en ethische normen na en is daarop aanspreekbaar, ook onder druk.

         Spreekt anderen aan op het consistent naleven van algemeen aanvaarde sociale en ethische normen van de organisatie.

         Gaat zorgvuldig met persoonlijke en/of gevoelige informatie om.

         Voorkomt belangenverstrengeling en maakt eigen positie en belangen duidelijk in (zakelijke) conflictsituaties.

22. Interpersoonlijke sensitiviteit

Gedrag dat getuigt van het onderkennen van de gevoelens en behoeften van anderen. Zich verplaatsen in anderen en zich bewust tonen van de invloed van het eigen handelen op anderen.

Gedragsbeschrijvingen:

         Houdt in eigen gedrag rekening met de gevoelens van anderen.

         Laat anderen in hun waarde en verplaatst zich in de positie van een ander.

         Laat blijken gevoelens en behoeften van anderen te onderkennen.

         Toont zich bewust van de invloed van het eigen handelen op anderen.

23. Klantgerichtheid

Herkent behoeften en belangen van de klant en houdt hiermee in het handelen rekening.

Gedragsbeschrijvingen:

         Herkent behoeften en belangen van de (interne of externe) klanten.

         Houdt in het handelen rekening met de behoeften en belangen van de klant.

         Toont respect voor de wensen van de klant en doet moeite om behoeften en belangen van de klant te onderzoeken.

         Komt met voorstellen waarin nadrukkelijk rekening is gehouden met de belangen van de klant.

24. Kostenbewust handelen

Denken en handelen gericht op optimale benutting van tijd, geld en andere middelen; afweging van financiŽle consequenties en aandacht voor beperking van kosten.

Gedragsbeschrijvingen:

         Denkt op zakelijke wijze na over de inzet van mensen en middelen.

         Weegt kosten en rendement goed tegen elkaar af.

         Denkt na over financiŽle consequenties van plannen en acties.

         Streeft naar beperking van kosten.

25. Leervermogen

In zich opnemen en kritisch verwerken van nieuwe situaties en problemen. Tonen nieuwe ervaringen effectief te kunnen benutten.

Gedragsbeschrijvingen:

         Werkt zich snel in nieuwe materie in.

         Integreert nieuwe kennis in bestaande.

         Leert van eigen fouten.

         Past opgedane inzichten en kennis direct in de praktijk toe.

26. Luisteren

Tonen belangrijke informatie op te pikken uit mondelinge mededelingen. Doorvragen en ingaan op reacties.

Gedragsbeschrijvingen:

         Laat blijken belangrijke informatie te kunnen oppikken uit mondelinge mededelingen.

         Vraagt door en geeft anderen de ruimte om zich uit te spreken.

         Gaat in op wat gesprekspartners zeggen.

         Neemt in gesprekken ook de emotionele boodschap van de ander waar.

27. Mondelinge presentatie

IdeeŽn en feiten op een heldere wijze presenteren, gebruikmakend van verbale en niet-verbale communicatie en hulpmiddelen, zodanig dat de ander begrijpt wat wordt bedoeld.

Gedragsbeschrijvingen:

         Brengt de boodschap in voor de toehoorders begrijpelijke taal.

         Maakt bij presentaties effectief gebruik van hulpmiddelen en van non-verbale communicatie.

         Hanteert een heldere opbouw in een betoog.

         Gebruikt voorbeelden/metaforen ter ondersteuning van het eigen betoog.

28. Mondelinge uitdrukkingsvaardigheid

IdeeŽn en meningen in begrijpelijke taal aan anderen mondeling duidelijk maken.

Gedragsbeschrijvingen:

         Is goed te verstaan en te volgen door anderen.

         Beantwoordt inhoudelijke vragen afdoende.

         Drukt zich helder uit zodat de boodschap goed wordt begrepen.

         Spreekt to-the-point en wijdt niet onnodig uit.

29. Motiveren

Stimuleren van anderen tot actie en betrokkenheid om een bepaald resultaat te bereiken.

Gedragsbeschrijvingen:

         Weet bij mensen de juiste snaar te raken om ze ergens voor te enthousiasmeren.

         Weet mensen door eigen commitment te inspireren.

         Spreekt waardering uit en krijgt mensen zo ver dat ze zich committeren.

         Geeft medewerkers regelmatig erkenning voor hun bijdragen.

30. Netwerkvaardigheid

Ontwikkelen en bestendigen van relaties, allianties en coalities binnen en buiten de eigen organisatie. Deze benutten voor het verkrijgen van informatie, steun en medewerking.

Gedragsbeschrijvingen: 

         Legt en onderhoudt contacten met voor de eigen functie belangrijke personen en organisaties.

         Weet de juiste mensen te vinden om steun en medewerking te verkrijgen.

         Benut zijn netwerk om op het juiste moment doelen te bereiken.

         Vormt allianties en coalities om doelen te bereiken.

31. Omgevingsbewustzijn

Laten blijken geÔnformeerd te zijn over maatschappelijke en politieke ontwikkelingen of andere omgevingsfactoren. Deze kennis effectief benutten voor de eigen functie of organisatie.

Gedragsbeschrijvingen:

         Is op de hoogte, met voor het werkterrein, relevante externe ontwikkelingen.

         Weet politieke en/of maatschappelijke ontwikkelingen te integreren in het dagelijkse werk.

         Kent de trends en ontwikkelingen in de markt en de betekenis hiervan voor de organisatie.

         Heeft een goede antenne voor de omgevingsfactoren die van invloed kunnen zijn op het huidige beleid.

32. Onafhankelijkheid

Onderneemt acties die meer gebaseerd zijn op eigen overtuigingen dan op een verlangen om een ander een plezier te doen. Vaart een eigen koers.

Gedragsbeschrijvingen:

         Brengt eigen voorstellen of mening in, ook als bekend is dat anderen hiervan nog overtuigd moeten worden.

         Volgt een aanpak waarin hij gelooft, ook als anderen bezwaar maken.

         Laat zich in zijn denken en doen meer leiden door de eigen mening dan door wat anderen vinden.

33. Ontwikkelen medewerkers

Onderkennen van ontwikkelbehoeften van medewerkers. Het bevorderen en (laten) uitvoeren van ontwikkelingsactiviteiten.

Gedragsbeschrijvingen:

         Geeft medewerkers in het kader van hun ontwikkeling regelmatig feedback.

         Stimuleert medewerkers om na te denken over eigen toekomst.

         Brengt medewerkers in situaties die uitdagend en leerzaam voor hen zijn.

         Stimuleert medewerkers tot professionele en/of persoonlijke ontwikkeling.

34. Oordeelsvorming

Gegevens en mogelijke handelswijzen in het licht van relevante criteria tegen elkaar afwegen en tot realistische beoordelingen komen.

Gedragsbeschrijvingen:

         Onderscheidt hoofd- en bijzaken.

         Weegt gegevens en mogelijke handelswijzen tegen elkaar af.

         Komt tot realistische beoordelingen.

         Beoordeelt de problematiek vanuit verschillende invalshoeken. 

35. Organisatiegericht aansturen

Vertalen van lange termijn visie in heldere en operationele doelen en deze realiseren door de organisatie richting en sturing te geven.

Gedragsbeschrijvingen:

         Vertaalt lange termijn beleid naar duidelijke operationele doelen.

         Geeft aan langs welke weg doelen moeten worden gerealiseerd.

         Zet de koers uit.

36. Organisatiesensitiviteit

Onderkent invloed en gevolgen van eigen beslissingen of activiteiten op andere onderdelen van de organisatie.

Gedragsbeschrijvingen: 

         Toetst bij de juiste partijen of er draagvlak is voor ideeŽn, voorstellen en beslissingen.

         Betrekt diverse partijen in de oordeelsvorming en onderkent invloed en gevolgen van eigen ideeŽn en beslissingen op andere organisatieonderdelen.

         Laat zien op de hoogte te zijn van de verschillende belangen in de organisatie.

         Is op de hoogte van de ongeschreven spelregels binnen de eigen organisatie en daarbuiten en weet daarmee om te gaan.

37. Overtuigingskracht

Gedrag dat er op gericht is om anderen te overtuigen van een bepaald standpunt en instemming te krijgen met bepaalde plannen, ideeŽn en producten.

Gedragsbeschrijvingen:

         Weet anderen voor eigen standpunten of ideeŽn te winnen.

         Brengt ideeŽn en voorstellen beslist en met enthousiasme naar voren.

         Kan argumenten kracht bij zetten wanneer er tegenstand optreedt.

         Draagt op gevarieerde manier argumenten aan, zowel inhoudelijk als procesmatig.

38. Plannen en organiseren

Bepalen van prioriteiten en aangeven van de benodigde acties, tijd en middelen om gegeven doelstellingen te kunnen bereiken. Zaken conform planning in beweging zetten.

Gedragsbeschrijvingen:

         Stelt prioriteiten en acties voor zichzelf en anderen.

         Geeft aan in welk tijdsbestek en met welke mensen en middelen doelstellingen moeten worden gerealiseerd.

         Zet plannen en projecten in beweging door zaken concreet te regelen.

         CreŽert de randvoorwaarden die nodig zijn om doelstellingen realiseren.

39. Prestatiemotivatie

Gedrag dat getuigt van het stellen van hoge eisen aan het eigen werk. Laten zien niet tevreden te zijn met gemiddelde prestaties.

Gedragsbeschrijvingen:

         Stelt hoge eisen aan het eigen werk.

         Laat zien niet tevreden te zijn met gemiddelde eigen prestaties.

         Legt de lat hoog voor zichzelf.

40. Probleemanalyse

Weet problemen te signaleren, belangrijke informatie te herkennen, verbanden te leggen tussen gegevens. Spoort mogelijke oorzaken op.

Gedragsbeschrijvingen:

         Legt verbanden tussen gegevens.

         Geeft aan welke informatie vereist is om zicht te krijgen op het probleem.

         Benoemt mogelijk oorzaken van een probleem.

         Gebruikt effectieve methode om informatie te verzamelen.

41. Resultaatgerichtheid

Gericht op effectief handelen en het op tijd leveren van afgesproken werk.

Gedragsbeschrijvingen:

         Levert resultaten binnen de afgesproken tijd.

         Werkt doelgericht en efficiŽnt, laat zich niet afleiden.

         Maak taken waaraan hij begint ook af.

         Houdt zich aan afspraken.

42. Samenbindend leiderschap

Het geven van richting en sturing aan een groep, onder meer door het stellen van doelen. Het tot stand brengen en handhaven van doeltreffende samenwerkingsverbanden.

Gedragsbeschrijvingen:

         Weet tegenstellingen tussen groepsleden te overbruggen.

         Weet van individuen een groep te maken.

         Weet partijen blijvend tot samenwerking aan te zetten.

         CreŽert een 'wij'-gevoel.

43. Samenwerken

Draagt bij aan een gezamenlijk resultaat, ook wanneer dit niet van direct persoonlijk belang is. Zet zich in om samen met anderen doelen te bereiken.

Gedragsbeschrijvingen:

         Draagt bij aan een gezamenlijk resultaat, ook wanneer dit niet van direct persoonlijk belang is.

         Zet zich in om samen met anderen doelen te bereiken.

         Speelt informatie die voor anderen van belang kan zijn tijdig door.

         Maakt optimaal gebruik van kennis en expertise van anderen.

44. Schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid

Schrijft begrijpelijk en correct Nederlands; stemt schrijfstijl af op beoogde doel of doelgroep.

Gedragsbeschrijvingen:

         Schrijft helder en begrijpelijk Nederlands.

         Hanteert een duidelijke structuur in geschreven teksten.

         Past in notities en stukken de formulering aan bij de doelgroep.

         Schrijft beknopt en to-the-point.

45. Snel schakelen

Zich in een informatierijke omgeving kunnen concentreren op snel wisselende onderwerpen en gebeurtenissen en hierin effectief handelen.

Gedragsbeschrijvingen:

         Weet adequaat in te spelen op onverwachte (urgente) zaken.

         Handelt effectief in een dynamische of snel wisselende omgeving.

         Weet moeiteloos het ene onderwerp los te laten om vervolgens het andere onderwerp op te pakken.

46. Stressbestendigheid

Effectief blijven presteren onder tijdsdruk, bij complicaties, tegenslag, teleurstelling of tegenspel.

Gedragsbeschrijvingen:

         Blijft onder tijdsdruk gelijkmatig presteren.

         Blijft effectief presteren, ook als het tegenzit.

         Laat zich niet uit het lood slaan.

47. Taakgericht aansturen

Geeft medewerkers duidelijke taakopdrachten in het kader van hun functie.

Gedragsbeschrijvingen:

         Maakt duidelijk welke doelstellingen moeten worden gerealiseerd en wat er van de medewerkers verwacht wordt.

         Maakt met medewerkers duidelijke afspraken over de kwaliteit en de kwantiteit van het het leveren werk.

         Geeft niet alleen aan wat er moet gebeuren, maar ook hoe het vormgegeven kan worden.

         Geeft medewerkers opdrachten die passen bij hun functie.

48. Toekomstvisie

Afstand nemen van de dagelijkse praktijk. Het formuleren van hoofdlijnen en het uitzetten van lange termijn beleid.

Gedragsbeschrijvingen:

         Laat zien een toekomstbeeld te hebben.

         Weet het toekomstbeeld van de organisatie over te brengen op anderen.

         Vertaalt het eigen toekomstbeeld naar lange termijn beleid.

         Voorziet trends en lange termijn ontwikkelingen.

49. Vasthoudendheid

Bij een bepaald actieplan of een bepaalde opvatting blijven totdat een beoogd doel is bereikt of ophoudt redelijkerwijze bereikbaar te zijn.

Gedragsbeschrijvingen:

         Geeft bij weerstand een ingenomen standpunt niet zo maar op.

         Geeft niet op totdat het doel is bereikt.

         Heeft een lange adem.

50. Voortgangscontrole

Tussentijds eigen activiteiten ťn die van anderen op inhoud en voortgang controleren. Afwijkingen signaleren en zo nodig bijsturen.

Gedragsbeschrijvingen:

         Controleert tussentijds eigen en andermans activiteiten op inhoud en voortgang.

         Ziet er op toe dat gemaakte afspraken worden nagekomen.

         Signaleert afwijkingen en stuurt zo nodig bij.

         Houdt de vinger aan de pols.

51. Zelfinzicht

Zoekt actief naar persoonlijke feedback. Stelt zich kwetsbaar op. Laat zien over een reŽel inzicht in de eigen sterke en zwakke punten te beschikken.

Gedragsbeschrijvingen:

         Zoekt actief naar persoonlijke feedback en doet er wat mee.

         Stelt zich kwetsbaar op.

         Laat zien over een reŽel inzicht in de eigen sterke en zwakke punten te beschikken.

52. Zelfontwikkeling

Zoekt en benut kansen voor eigen ontwikkeling. Besteedt zichtbaar tijd en energie aan eigen ontwikkeling.

Gedragsbeschrijvingen:

         Zoekt en benut kansen voor eigen ontwikkeling.

         Besteedt zichtbaar tijd en energie aan eigen ontwikkeling.

         Is erop gespitst om zichzelf te verbreden en/of te verdiepen. 

53. Zelfvertrouwen

Een zťkere indruk maken bij het formuleren van de eigen standpunten en voorstellen. Deze indruk kunnen handhaven en op anderen overdragen.

Gedragsbeschrijvingen:

         Maakt een zelfverzekerde indruk in zijn optreden.

         Brengt standpunten en voorstellen met zelfvertrouwen naar voren.

         Handhaaft zijn zekere indruk ook bij weerstand tegen zijn standpunt of handelen.

Bronnen:

          Nieuwenhuis, M.A., The Art of Management (the-art.nl), 2008

          Theodoos, Wat is een competentie?, Management (Zakelijk), 2009

          Floor.nl

download hier de volledige competentielijst

Wil je ook op de hoogte worden gehouden van de laatste updates van projectmanagement?
Schrijf je dan nu in!

For Email Newsletters you can trust

Je ontvangt de update van managementmodellensite.nl in dezelfde nieuwsbrief.
 

De site 'Projectmanagement' is onderdeel van GertJanSchop.com.
 
Deze site heeft een directe relatie met onder ander de sites 'Managementmodellensite''Artikelenbase', 'Effectiviteit', 'Organisatieanalyse' en 'Belemmeringen in een veranderproces'.
 
Internet is het communisme op het gebied van informatie. Iedereen is gelijk en iedereen krijgt evenveel (namelijk alles). De informatie op deze site is vrij te gebruiken. Let op wel op een goede bronvermelding.